Psalm van Anna Borodikhina

De overkant roept

De roerloze oever vlak onder mijn voeten
Temt zijn winden niet
Ze duwen tegen de oeroude stenen
En zingen verhalen over de zee

Ik voel de overblijvende briesen
Bewegen langs mijn blote enkels
Ze likken aan mijn broekspijpen
Verhinderen het gras naast mijn zolen
Om te zwijgen,
terwijl de overkant roept

In mijn huid staat kou te lezen in braille
De ijzige streling laat mijn knieƫn
een lied knikken
Vragen mijn beide benen te schuiven
richting het schuimige water

Mijn gelaat toont haar aangezicht
Aan het lauwe licht van de koude avond
Langs de heuvels galmt er eenzaamheid
De meanders tonen hun twijfel
Over het verloop van de nacht,
terwijl de overkant roept

Mijn hand strekt zich uit
En tekent gebroken lijnen
Vormeloos, woordeloos, hopeloos
Verlangend naar een richting om uit te gaan
buiten rechtdoor

De overkant roept, mij
Hij neemt mijn naam in zijn mond
Lokt mij als sirenes verstopt in mijn binnenoor
Draaft mij om terug mens te zijn
Tegen alle natuur in

De overkant roept,
Zijn riet fluistert geheimen
en verdoezelt leugens in zijn stengels
Mijn palmen zweten avonddauw
Een wilg buigt zich over mijn lot

De overkant roept,
De magere polsen die ik draag
Zoeken mijn zwaartepunt op
In het water zakken kiezels langzaam weg
onder de druk van mijn tenen
En de overkant roept,

De overkant roept mij naar zich toe
De warme stem smelt over de horizon
als mijn eerlijke ziel zich laat verleiden
Ik volg blindelings zijn schouwspel
Hij roept mij, zoekt mij, verzoekt mij,
Schaamteloos genot
in mij op te zoeken
Als zondaar sta ik daar
Een schaamrode zonsondergang
Barst uit over mijn bleke lichaam
En de overkant roept, harder
Dichtbij tussen de struiken door
klinkt er gebonk als gehijg
Zijn holle echo zoekt een opening
in mijn sleutelbeen
Mijn vingers wijzen richtingloos
Een weg naar stilte

Maar de overkant roept,
Afwachtend schreeuwt hij en zijn wortels beven
De rivier rimpelt en mijn adem versnelt
De bomen blazen hun vrees mijn kant op
Mijn hielen tillen zichzelf haastig uit de grond,
speurend naar vaste aarde in het losse water
Het zand vangt elke spoedige stap op

De overkant roept,
Hij gilt en bladeren dansen
Snelle passen laten het zeewier
tussen mijn beenhaar glijden als palingen
Mijn twee natte heupen weerkaatsen het maanlicht
terug op het netvlies van de rivier

Hij schreeuwt,
Driftig tegen het postnatale verlangen in mij,
maakt barsten in mijn weerbarstig ego
Tot er knetterend gaten ontstaan
aan de hemel
Uit de lucht,
valt de nacht op ons beide

De overkant roept,
Ik luister hoe hij zonder taal
het verleden en heden schetst
Spetter omsingelen mijn zoektocht,
naar zijn zware stem
Die in mijn aderen op zoek is
Naar nieuw bloed

De overkant roept.