Interview met festivalcomponist Noah Senden

Noah Senden studeerde compositie bij Wim Henderickx aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen. Die heeft een diepe impact op hem gehad, niet alleen op muzikaal vlak, maar ook als mens. Tijdens zijn studie kreeg hij ook les van onder meer Bram Van Camp en Mathias Coppens. Een andere bepalende ervaring was zijn Erasmusperiode aan de Estonian Academy of Music and Theatre in Tallinn. Daar studeerde hij bij Tõnu Kõrvits en kwam hij voor het eerst echt in contact met de Baltische koortraditie. Een periode die zijn blik op klank, eenvoud en spiritualiteit in muziek sterk verruimd heeft en die een belangrijke rol heeft gespeeld in het vormen van zijn artistieke identiteit.


Musica Divina staat voor hemelse muziek op hemelse locaties en de helende werking van muziek. Wat betekent dat helende aspect voor jou?

Voor mij betekent het helende aspect van muziek vooral dat ze ruimte kan creëren. Een plek waar de tijd even lijkt te vertragen en waar je loskomt van de constante stroom aan prikkels.

Heling zit voor mij niet in het mooier maken van de werkelijkheid of in iets geruststellends opleggen. Het zit eerder in het toelaten van kwetsbaarheid. Muziek kan een ruimte openen waarin emoties en gedachten gewoon mogen bestaan, zonder dat ze meteen verklaard of opgelost moeten worden.

Wanneer muzikanten en publiek samen luisteren, kan er iets bijzonders gebeuren, een moment van gedeelde aandacht. Er ontstaat een soort collectieve reflectie. Klank heeft de kracht om mensen even uit hun eigen hoofd te halen en opnieuw met elkaar in verbinding te brengen.

Hoe uit waarheid zich, of in extenso, hoe uiten momenten van waarheid zich in jouw muziek?

Voor mij begint waarheid in muziek vaak bij iets heel kleins. Een kort motief, een simpele beweging, iets dat meteen vertrouwd aanvoelt, maar ook iets opent dat je nog nooit gehoord hebt. Het zijn die kleine bouwstenen die een werk dragen en tegelijk een gevoel van herkenning, maar ook verrassing geven.

Filosofen zoals Plato of Aristoteles dachten dat muziek een universele orde of waarheid kan laten horen. Voor mij gaat het niet om een boodschap die je kunt lezen of uitleggen, maar om momenten waarin iets essentieels ineens hoorbaar wordt. De Duitse filosoof Heidegger noemt dat “aletheia”: het onthullen van waarheid. In muziek kan dat een plotseling moment zijn dat je voelt, dat je raakt, zonder dat je het helemaal kunt grijpen. Het is geen idee dat je meekrijgt, maar een ervaring die zich ontvouwt. Een klein en puur punt van waarheid.

Hoe verloopt jouw creatief proces?

Concept neemt een prominente rol in bij het creatief proces, en pas in een latere fase wordt het concreet aan de schrijftafel. Dan kan het soms snel gaan. Ik wil graag starten vanuit een simpel buitenmuzikaal idee: een gesproken of gezongen tekst, een maatschappelijk thema, een verhaal, een beweging, de kwaliteiten van water, of de perceptie van tijd. Ik denk zo in mijn muziek eigenlijk een beetje dramaturgisch. Muziek op zichzelf is beweging, maar ook een taal. Je kunt er iets mee uitbeelden, iets voelbaar maken, zonder dat je het volledig moet verwoorden.

Koormuziek is een essentieel onderdeel van jouw werk. Componeer je anders voor koor dan voor instrumentale ensembles?

De stem is waarschijnlijk de meest menselijke vorm van muziek maken. Ze komt letterlijk uit het lichaam: uit adem, uit resonantie, uit taal. Wanneer je voor koor schrijft, werk je dus met iets dat heel fysiek en direct is.

Voor mij is er daarom een groot verschil tussen schrijven voor koor en schrijven voor instrumenten. Het zijn bijna twee verschillende disciplines. De laatste jaren heb ik meer voor koor kunnen schrijven, en dat heeft ook mijn instrumentale muziek veranderd. Bij het schrijven voor instrumenten zijn de mogelijkheden bijna onbeperkt: klankkleuren, texturen, virtuositeit, extreme dynamieken. Maar misschien is het net daarom dat ik zo graag blijf terugkeren naar het koor. Telkens wanneer ik voor zang schrijf, voelt het een beetje alsof ik terugkeer naar de oorsprong van muziek.

Tegelijk kan ik het schrijven voor instrumenten absoluut niet loslaten. De muzikanten functioneren als het medium die ik gebruik om mijn boodschap naar het publiek te brengen. Soms voelt schrijven voor koor als werken met waterverf: transparant, direct en organisch. Instrumenten zijn eerder olieverf: rijker, gelaagder en preciezer. Maar in beide gevallen probeer ik eigenlijk gewoon hetzelfde te doen: mijn innerlijk idee zo helder mogelijk hoorbaar maken.

Hoe ga je om met tekst? Welke teksten heb je zoal gebruikt?

Tekst kan voor mij een heel sterke motor zijn in een muzikaal concept. Het is een soort buitenmuzikale impuls: een beeld, een gedachte, een emotie die meteen een richting geeft. Wat mij vooral fascineert, is hoe muziek een extra laag kan toevoegen aan de poëtische kracht van een tekst, waardoor woorden niet alleen gehoord worden, maar ook echt gevoeld. Dat geldt zowel voor muziektheater als voor koormuziek.

In het verleden heb ik bijvoorbeeld samengewerkt met onder andere Clara Cleymans en Johannes Wirix-Speetjens aan verschillende muziektheaterprojecten. In zo’n proces wordt tekst vaak de rode draad die voortdurend in dialoog gaat met de muziek. Voor sommige koorwerken schreef mijn vriendin Lieze Denckens de teksten. We kennen elkaar zo goed dat dat schrijfproces heel natuurlijk verloopt, en dat voel je uiteindelijk ook in de muziek.

Ik werk graag met heel uiteenlopende teksten. Het belangrijkste voor mij is dat er ruimte ontstaat waarin muziek een extra laag kan toevoegen en de kracht van de tekst kan verdiepen.

We worden anno 2026 omringd door verschillende soorten muziek, verschillende genres maar ook verschillende contexten: hoe ga je daar mee om als componist?

Ik zie die veelheid eigenlijk als een enorme rijkdom. Anno 2026 kan je je als beginnend componist bijna niet meer vastzetten op één enkele handtekening, en eerlijk gezegd wil, en kán, ik dat ook niet. Ik hou ervan om geprikkeld te worden door verschillende soorten opdrachten en contexten. Mijn passie blijft natuurlijk bij het schrijven voor de klassieke concertzaal, maar ik voel me net zo goed aangetrokken tot muziektheater, film, games of podcasts.

Tegelijk blijf ik zoeken naar een heel persoonlijke hedendaagse taal. Het mooiste moment is wanneer iemand na een première zegt: “Dat klonk echt als Noah.” Zelfs, of misschien juist, wanneer ik zelf het gevoel had dat ik iets totaal nieuws aan het proberen was. Voor mij zit de echte uitdaging bij het publiek te blijven prikkelen, zonder het contact te verliezen.

Je hebt een periode in Tallinn geleefd: hoe heeft die periode jou beïnvloed als componist?

Mijn ervaringen in Estland waren vooral gericht op compositie, en die periode heeft mijn muzikale blik echt enorm verruimd. Ik studeerde daar bij Tõnu Kõrvits, die toen al een van mijn grote voorbeelden was, en kreeg van hem de kans om volledig ondergedompeld te worden in een cultuur waarin muziek en koorzang vanzelfsprekend zijn. Estland is echt een koorland: overal zingt men, van koren in het brandweerkorps tot het massale Laulupidu, waar maar liefst 32.000 zangers samenkomen. Ik was er live bij en werd er volledig omvergeblazen door de kracht van al die stemmen.

Een bijzonder moment dat ik nooit zal vergeten, is dat Tõnu Kõrvits me een avond voorstelde aan Arvo Pärt, met wie ik kort kon spreken. Die ontmoeting maakte een diepe indruk en inspireerde me zozeer dat ik na mijn terugkeer in Antwerpen mijn masterthesis aan zijn werk heb gewijd.

In welke mate is de Europese spirituele minimalistische traditie een inspiratie voor jou?

De Europese spirituele minimalistische traditie spreekt mij aan omdat ze laat zien hoe krachtig eenvoud kan zijn. Tijdens mijn onderzoek naar Arvo Pärt ben ik daar sterk door geraakt. Maar tegelijk merkte ik snel dat het geen stijl is die je zomaar kan overnemen. Pärt zegt zelf dat de essentie van tintinnabuli overeenkomt met ademen, maar het vatten ervan jaren rijping nodig heeft. Wat mij vooral inspireert, is hoe deze traditie eenvoud nooit oppervlakkig maakt. Integendeel, achter die eenvoud zit vaak een enorme concentratie en aandacht voor detail.

Door een opdracht te geven waarbij een werk aanpasbaar kan zijn aan verschillende contexten en ensembles probeert Musica Divina terug aan te sluiten bij hoe muziek pakweg werd beschouwd voor de 19de eeuw. Hoe zal je je opdracht aanpakken? Wat zijn de grootste uitdagingen?

Voor deze opdracht wil ik eigenlijk een soort kern maken die altijd herkenbaar blijft, maar die bij elke uitvoering op een andere manier tot leven komt. Net zoals Arvo Pärt dat doet met Fratres: hetzelfde materiaal, maar het klinkt elke keer anders, afhankelijk van de ruimte, het ensemble, de individuele stemmen of instrumenten. Dat is ook het spannende eraan. Je hebt een vast “punt van waarheid”, iets dat nooit verdwijnt, maar binnen die kern is er ruimte om te spelen, te ontdekken en te reageren op wat eigen is aan het ensemble.