Waarheid als vormenspel

Björn Schmelzer is dirigent, schrijver, kunstenaar, filmmaker, antropoloog en artistiek leider van het Antwerpse muziekensemble Graindelavoix. Het uitgebreide onderzoek dat hij doet om het muzikale repertoire van het ensemble te produceren wordt verder uitgewerkt in essays, lezingen en publicaties die zijn benadering situeren op het kruispunt van speculatieve theorie, psychoanalyse, muziek en kunstgeschiedenis.

Dat “waarheid” niet erg populair is vandaag kan je een understatement noemen. En toch kunnen kunstenaars niet anders dan zich eraan vast te houden, uit noodzaak, om niet te vervallen in neoliberaal relativisme of postmodern perspectivisme, trendy opvattingen die vooral een politieke en sociale status quo lijken te verbergen. Waarheid bestaat, al weten we dat de volle waarheid zich nooit zo aandient. En kunst en muziek zijn oefenterreinen van die waarheid. In de interpretatie van muziek en haar uitvoering bijvoorbeeld wordt al doende duidelijk hoe noodzaak en waarheid op de een of andere manier samen horen. De uitvoerder doet er alles aan om de initiële contingentie van de partituur, haar oneindige mogelijkheden en uitvoeringsopties om te zetten in consistentie, haar creatieve willekeur in noodzakelijkheid, haar subjectieve toevalsmomenten in momenten van waarheid. Kunst en muziek doen ons die waarheid exploreren in de praktijk, in het creëren van horizonten en situaties waarin zoiets als waarheid kan oplichten en worden ervaren. Een goede uitvoering is in die zin altijd een plastische uitvoering omdat ze het ons onmogelijk maakt na afloop gewoon terug te keren naar de neutraliteit van de partituur. Een uitvoering die beklijft heeft zich aan de luisteraar vastgekleefd, zich aan de herinnering vastgehaakt. Daarom dat zo’n luisterervaring danig kan inwerken op het gemoed en de gedachten van de luisteraar. Wat is zo’n ingrijpende luisterervaring die een onomkeerbare verandering met zich meebrengt anders dan een moment van waarheid?

Het is te begrijpen dat waarheid afschrikt. Ofwel gaat het om een absolute en doctrinaire pretentie waarvan de kunst en de muziek de spreekbuis zijn. Zo kijken we vaak naar kunst uit het verleden. Ofwel gaat het om een ervaring die zo ingrijpend of schokkend is dat ze ons met een trauma opscheept. Dat lijkt soms de ambitie van veel hedendaagse kunst.

Maar wat als momenten van waarheid zich schuilhouden in de scheuren en breuken van de kunstwerken zelf, of ze nu eeuwenoud of hedendaags zijn? Wat als die momenten van waarheid zich bevinden op het snijvlak of in de spleet tussen het kunstwerk, zijn uitvoering en zijn ervaring?

De Engelse schrijver Walter Pater heeft ooit beweerd dat alle kunst streeft naar de conditie van muziek. Wie zijn bewering oppervlakkig leest, zou kunnen denken dat hij de klassieke symbiose van vorm en inhoud voorstaat. Maar wat Pater eigenlijk beweert, is dat alle kunst zoekt om de ervaring van het interval te capteren, het passeren zelf van de momenten. En het is deze dynamiek van zelf-sabotage, van verschijnen en verdwijnen, waar het de kunst om te doen is. Tragisch genoeg is muziek zelf het eerste slachtoffer van haar eigen artistieke dynamiek. Eeuwenlang lijkt muziek te hebben gevochten om een vaste, herkenbare, grijpbare vorm, in navolging van de beeldende kunsten. Eens ze die vorm gevonden had, duurde het niet lang of hij werd weer opgegeven ten voordele van een oneindig aantal moeilijk te definiëren en in kaart te brengen klankvormen. Polyfone muziek is vanaf het begin de exploratie van die vormenanarchie en van een temporele vorm die nooit helemaal sluit. Het is de zich voortdurend vormende en deformerende vorm van muziek zelf die ons in staat stelt momenten van waarheid te ervaren.